Band of brothers

Broers (en zussen), dat blijft toch iets aparts. Niemand die zo goed een ander kan jennen, de kast kan opjagen of het bloed onder de nagels vandaan kan halen als diens broer of zus. Enfin, dat is hier thuis toch alleszins het geval. 

De ene doet zijn mond nog maar open om iets te zeggen, en de ander heeft al een weerwoord klaar. Alles, werkelijk alles, is voer voor een hoogdravende of verhitte discussie. Dan menen ze allebei dat ze het toch net iets beter weten dan de ander, en willen ze dat duidelijk kenbaar maken ook. Doodmoe word ik ervan. 

Dat gedoe begint eigenlijk al zodra er sprake is van een broertje of zusje: de jaloerse gevoelens steken de kop op, en de komst van een broer of zus is hét signaal om wat extra aandacht op te eisen van mama en papa. Als dat broertje of zusje dan een beetje groter wordt, dan kunnen de eerste ruzies beginnen. Heeft die kleine sloeber een speeltje vast, dan is dat uiteraard nét het speeltje dat de ander ‘toevallig’ ook net wou, met het nodige duw- en trekwerk en een hoop geblèr tot gevolg.

En wanneer die kleine sloebertjes groter worden, evolueren de ruzies mee. In het geval van onze Peppi en Kokki wil dat zeggen dat het er ondertussen behoorlijk verbaal aan toegaat. Als het echt tegenzit kan er al eens een heuse vechtpartij ontstaan, maar meestal blijft het bij verbale steekspelletjes. Ik ben nog dagelijks verwonderd waarover een mens zoal kan discussiëren. Over veel, zo blijkt. Zucht.

Nu ja, als ik heel eerlijk ben, dan moet ik toegeven dat het er vroeger tussen mijn broer en mij wellicht niet veel beter aan toeging. Niets van elkaar kunnen verdragen, elkaar op stang jagen en ruzie krijgen konden we als de beste. Gelukkig is het helemaal goed gekomen tussen ons. Bovendien maakten we natuurlijk niet de hele tijd ruzie: als het erop aan kwam stonden we altijd voor elkaar klaar.

Want dat is nu het speciale aan broers en zussen: ook al kan je elkaars gezicht met momenten niet zíen, tegelijk is er een speciale onvoorwaardelijke liefde. En daar als mama getuige van mogen zijn is zowat het mooiste wat er is.

Zo gingen we een paar weken geleden langs bij Sinterklaas in een speelgoedwinkel. Toen onze jongens aan de beurt waren, sloegen de zenuwen toch een beetje toe (de helden 😉 ). En dus zochten ze onmiddellijk steun bij elkaar door simultaan elkaars handje vast te grijpen. Smelt. Hetzelfde zag ik al gebeuren bij kampjes waar ze niemand kenden. Dat automatisme van steun bij elkaar vinden, is er iets mooiers dan dat? Mijn mamahartje wordt er helemaal warm van.

Ik hoorde de jongste onlangs met een spijtig stemmetje zeggen “Toch jammer dat jij nu in een ander gebouw zit hé, nu kunnen we niet meer met elkaar spelen over de middag!” Heerlijk om te horen.

En de oudste kreeg eens een Hatchimals tweeling cadeau. Het eerste wat hij deed was beslissen welke hij de mooiste vond, zodat hij wist welke hij dan aan zijn broer kon geven (wat eigenlijk helemaal de bedoeling niet was). Ik was stomverbaasd over die vanzelfsprekendheid om te delen.

Vorige week nog bedachten de jongens hun eigen challenge die ze wekelijks zouden houden. Met één of ander werpspelletje konden ze punten verdienen, en die punten konden ze dan inwisselen door spulletjes bij elkaar te gaan ‘kopen’. Dan gingen ze bij elkaar op de kamer gaan onderhandelen: ‘die knuffel, en die mag ik dan een week houden’ of ‘dat boek, voor altijd’. Zo belandden er een paar van Leons lievelingsboeken op de kamer van Louis, waarna Leon uitlegde: “Ik vind die boeken zó mooi, dat ik wil dat hij daar ook van kan genieten!” Smelt …

Dus nee, uiteraard is het niet allemaal kommer en kwel tussen broertjes. Al dat geruzie en gehakketak is op slag vergeten als ik weer eens getuige mag zijn van hun ijzersterke band. Mijn hart heeft al meer dan eens op ontploffen gestaan!